Krantenartikelen

Op televisie en bij politici is weinig aandacht voor het buitenland, en als dat er wel is, mag het niet te ingewikkeld zijn.  ziet desinteresse en arrogantie.

Mensen vanaf een bepaalde leeftijd herinneren zich De Vakantieman. Dat was een televisieprogramma in de jaren negentig dat werd gepresenteerd door Frits Bom. Het was een vermakelijk inkijkje in het vakantieleven van Nederlanders met slagzinnen als „Vakantieman, gezellig, hè?” en „Vakantieman, ben ik al bruin?” Vooral vermakelijk was een van de vaste onderdelen van het programma. Vakantiegangers werd dan een wereldkaart getoond en gevraagd om aan te wijzen waar ze op dat moment waren. Dat ging bijna altijd fout. Zo werd de Middellandse Zee bijvoorbeeld aangewezen als het meer waar iemands Hongaarse camping aan lag.

Af en toe moet ik aan De Vakantieman terugdenken, als ik naar talkshows of andere gesprekken op de Nederlandse televisie kijk. Wat ik me dan realiseer is dat het tegenwoordig veel treuriger gesteld is met de wereldkaart: we weten namelijk niet eens waar Nederland ligt.

Dat bedoel ik niet letterlijk. Wat ik hiermee wil zeggen is dat er een bijzonder armzalig beeld van het buitenland heerst in een groot deel van onze publieke ruimte. Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen overal. Er zijn mooie documentaires over landen als China en Iran en veel lezers van kranten informeren zich serieus over de wereld. Maar in de publieke ruimte, in het bijzonder op de televisie en in de politiek, zie ik een trend die groot genoeg is om serieus alarm over te slaan.

En als we dat tij niet keren, komt een gekoesterd zelfbeeld, dat van de internationaal georiënteerde Nederlander, op het spel te staan. Dat beeld bestaat al decennia en het wordt gebruikt om ons van andere landen te onderscheiden. Nederland is een klein land en daarom moeten we naar buiten kijken en onze vreemde talen leren. Duitsers doen dat niet en Fransen en Zuid-Europeanen zijn arrogant over hun eigen cultuur, is het idee. Nederlanders niet.

Een blik op de publieke ruimte doet echter vermoeden dat wij de arrogante naar binnen gekeerde mensen zijn.

Twee categorieën berichten over België

Een voorbeeld. Recent trad een journalist bij een talkshow op als expert over de Verenigde Staten. Hij moest op een bepaald moment iets technisch uitleggen en zei vervolgens snel „excuses voor het zapmomentje”. Een zapmomentje? Het ging om zijn uitleg van het Amerikaanse politieke systeem Kunnen kijkers dat niet aan? Zou het kunnen dat mediamakers echt denken dat het zo slecht is gesteld met de aandachtsspanne van kijkers?

We zien dit terugkeren in de berichtgeving over allerlei landen. Laten we eerst dichtbij huis beginnen. België is ons buurland, we verstaan de taal van een groot deel van de bevolking en het is een belangrijke handelspartner. Hoeveel serieuze aandacht wordt er geschonken aan het land in de media? Wanneer was het laatste diepgaande item erover op de Nederlandse televisie? Die gebrekkige aandacht blijft niet zonder gevolgen. Hoeveel mensen weten de naam van de premier van dit meest nabije buurland?

Er is natuurlijk wel berichtgeving over België. Het zou interessant zijn om daar onderzoek naar te doen, maar anekdotisch herken ik twee categorieën berichten over België. De eerste gaat over alles wat er in het land misgaat. Deze berichtgeving bevestigt het klassieke beeld van de Belgenmop. De tweede categorie kun je „zelfs België” noemen. In dat geval vernederen wij Nederland door aan te geven dat iets in België beter is geregeld dan bij ons. Dit was bijvoorbeeld het nieuws toen zelfs België een app had waarmee mensen zich voor niet gebruikte vaccins bij hun huisarts konden aanmelden.

Misschien is deze houding ten opzichte van België nog te begrijpen. De theorie van asymmetrie in internationale betrekkingen leert dat kleine landen met argusogen naar grotere landen kijken, terwijl grotere landen vaak ongevoelig of ondoordacht met kleinere landen omgaan. Dat verklaart misschien onze omgang met onze zuiderburen. Maar we zien hetzelfde patroon in relatie tot grotere landen.

Duitsland is de enige regionale grootmacht die zonder hoge prijs door buurlanden genegeerd kan worden

Duitsers kan vergeven worden niet heel veel aandacht te hebben voor Nederland, maar omgekeerd is Duitsland voor ons de nabije gigant waarvan je mag verwachten dat wij die minutieus in de gaten houden. Maar hoeveel aandacht is er voor het land? Ons grote buurland, de centrale speler in de Europese Unie, houdt in september nationale verkiezingen. Het kiest dan wie na ruim vijftien jaar Angela Merkel gaat vervangen als bondskanselier. Waar zijn de programma’s en discussies over die verkiezingen, over de voornaamste spelers en hun posities? Zou er in het parlement niet meer discussie over mogen zijn?

De situatie is nog veel erger voor landen verder weg op de kaart. Tot voor kort was er heel weinig aandacht voor China. Tegenwoordig is die groter, maar de teneur van de berichtgeving is eendimensionaal en simplistisch. De veroordeling prevaleert en er is een angstsfeer rondom alles wat het land betreft. Natuurlijk is er genoeg om kritiek op te hebben, zoals de schending van mensenrechten en het steeds assertievere buitenlandbeleid. Maar het lijkt nu vaak alsof er daarnaast niets meer over dat land te zeggen is. Dat is een bijzonder arm beeld van een land met meer dan een miljard inwoners, een fascinerende geschiedenis en een uiterst dynamische economie.

De politiek draagt bij aan dit zeer beperkte beeld. Groot was de verbazing en veroordeling toen China sancties aan Europa oplegde. Maar hoe verrassend is dit, als die volgen op sancties van de EU ten opzichte van China? Landen die zich niet minder voelen dan andere landen, betalen altijd met gelijke munt terug. Zo werkt internationale politiek. Naïef optimisme over China is misplaatst, maar het hysterische doemdenken dat nu heerst is dat evengoed. We hebben een complexer en meer realistisch beeld van China nodig.

Dit brengt ons bij de VS. Dit land krijgt gek genoeg wel volop aandacht. Het beleid van Biden, de tweets van Trump, een willekeurige mediahype; allemaal prime time in Nederlandse media. Je zou kunnen denken dat niet Duitsland, maar de VS ons buurland is.

Dat betekent niet dat wij goed over het land geïnformeerd worden. Een groepje journalisten zoals de genoemde talkshowgast legt ons in Jip en Janneketaal uit wat er in het land gebeurt en waakt voor ‘zapmomenten’. Die simplificatie gaat vaak gepaard met een toon van verbazing. Alsof de journalisten dompteurs zijn die ons uitleggen waar wij naar moeten kijken in ‘Circus Amerika’. Ook dit is niet bepaald de verhouding die past bij een buurland. Terugdenkend aan De Vakantieman lijkt Nederland een eiland van verbaasde toeschouwers ergens in de Atlantische Oceaan.

Als dit inderdaad een grote trend is in de publieke ruimte, wat verklaart dan deze desinteresse, ja zelfs arrogantie, richting het buitenland?

Het zal deels komen door onze geopolitieke veiligheid. Uniek voor ons deel van de wereldkaart is dat er geen andere staten in de buurt liggen die ons direct bedreigen. Duitsland is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog een grote vriendelijke reus geworden, de enige regionale grootmacht die zonder hoge prijs door buurlanden genegeerd kan worden.

Ongetwijfeld hangt het ook samen met het opgeheven vingertje waar Nederland internationaal bekend om staat. Zonder interesse in de ander degenereert dat gemakkelijk in arrogantie en een gevoel van superioriteit.

Maar de belangrijkste oorzaak is waarschijnlijk de medialogica in de publieke sfeer. Televisieredacties zijn als de dood voor zapmomentjes en politici hebben kort de tijd om zich te profileren met controversiële stellingen op spannende onderwerpen.

Toch zou ik programmakers en politici willen oproepen om serieuzer aandacht voor het buitenland te hebben. Jullie taak gaat verder dan kijkcijfers. En misschien is de interesse van de burger groter dan jullie denken.

Moeite doen om anderen te begrijpen

Ik weet dat ik provoceer en het hier ongenuanceerd stel. Het kan ook elitair overkomen, maar dat is het niet. Het gaat mij in de eerste plaats niet om gebrekkige kennis. De oplossing is dan ook niet dat iedereen goed Frans moet kunnen spreken of dat meer mensen de Süddeutsche Zeitung zouden moeten lezen.

Er staat wat op het spel als wij langdurig een armoedig beeld van het buitenland krijgen voorgeschoteld. Niet alleen het zelfbeeld van de internationale Nederlander dat velen, denk ik, koesteren. Ook belangrijke waarden zijn in het geding. Moeite doen om anderen te begrijpen en pogen om het eigen leven te verrijken met andere gezichtspunten is voor een democratie van groot belang.

De Franse filosoof Bruno Latour heeft opgemerkt dat de woorden ‘demos’ en ‘demon’ een gemeenschappelijke wortel hebben in ‘da’, dat staat voor ‘verdelen’. De demon zorgt natuurlijk voor verdeling, maar iets vergelijkbaars geldt ook voor een politieke gemeenschap. Politiek is er niet in de eerste plaats omdat wij het met elkaar eens zijn, maar omdat wij van elkaar verschillen en onderling verdeeld zijn. In de huidige publieke ruimte gaat die verdeeldheid samen met veroordeling, afkeer en een arrogante houding naar de rest van de wereld. Wij zijn echter gebaat bij wat meer nieuwsgierigheid. Nederland is geen eiland. Nieuwsgierigheid is daarom nodig, juist richting anderen van wie wij verschillen.

 

Wit-Rusland Willen we iets veranderen in Wit-Rusland, dan moeten we minder zwart-wit denken, schrijft .

De casus Wit-Rusland lijkt verrassend helder en eenduidig. De kwestie voelt als een echo van de Koude Oorlog, inclusief de toenmalige helderheid over vijanden en economische verhoudingen. Niet voor niets wordt Loekasjenko ‘de laatste dictator van Europa’ genoemd, een term die een zekere nostalgie naar een zwart-wit wereld verraadt.

Ook de oplossing lijkt voor de hand te liggen. Direct na de ontvoering van journalist en activist Roman Pratasevitsj en zijn vriendin Sofia Sapega eiste de EU eenduidige sancties. Dergelijke eenduidigheid is de laatste tijd zeldzaam op het internationale toneel. Wat onderscheidt deze kwestie?

Loekasjenko ontkent niet dat hij achter deze daad zit. Vergelijk dat eens met de vergiftiging van de Russische dubbelspion Sergei Skripal in het Verenigd Koninkrijk of de aanslagen op Iraanse dissidenten in Europa.

De toedracht is deze keer helder. Hoe anders is dat bijvoorbeeld in het huidige conflict tussen Tsjechië en Rusland over vermeende betrokkenheid van Russische inlichtingendiensten bij een explosie in 2014.

Er staan geen grote economische belangen op het spel. Dit in tegenstelling tot de botsing tussen de EU en China over schending van de mensenrechten, waardoor het Europese parlement de ratificatie van een investeringsakkoord met China heeft bevroren. Of denk aan de grote economische belangen rondom Nord Stream 2, de gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland.

Maar een simpele voorstelling van zaken is problematisch. Wij leven immers in een ambigue wereldorde – en die vraagt om meer dan sancties en verontwaardiging. Het heeft geen zin op de val van een metaforische muur te hopen. Zelfs als de Wit-Russische protestbeweging sterk was, zou Rusland nooit een pro-westers democratisch regime in Wit-Rusland accepteren. Toen dat dreigde te gebeuren in Oekraïne in 2014, greep Rusland in, wat leidde tot een nog altijd voortdurend, bloedig conflict. Op een revolutie in Wit-Rusland zal Moskou niet milder reageren. Bovendien zorgen sancties ervoor dat de invloed van Rusland op Wit-Rusland groeit. Verder geïsoleerd door het Westen, wordt het land vaster in de greep van het Kremlin gedrukt.

Willen we echt iets bereiken, dan moeten we het spel van een ambigue wereldorde leren spelen. Hoe zou dat eruit kunnen zien?

 

Poetin plezieren

Stel nu dat de EU publiekelijk Rusland zou benaderen voor een top over het toekomstig leiderschap van Wit-Rusland. Zou Rusland daarop ingaan? Onwaarschijnlijk. Maar de erkenning van Russische invloed zal Poetin een plezier doen en hem wellicht doen nadenken over een vervanging van Loekasjenko. Die vervanger zou uiteraard pro-Russisch zijn, maar wellicht minder omstreden en repressief.

Zelfs als Poetin dit idee niet serieus overweegt, kan het alsnog effect hebben. Want alleen al de mogelijkheid dat Poetin dit zou kunnen overwegen, kan de paranoïa van Loekasjenko voeden. Loekasjenko, die nu aan Rusland is overgeleverd, maakt zich al jaren zorgen over de grip die Rusland op zijn regime heeft. Die paranoïa kan wellicht tot concessies aan het Westen leiden.

Om nog wat meer druk op Rusland te zetten zou de EU de onderhandelingen over Nord Stream 2 aan verbetering van de situatie in Wit-Rusland kunnen koppelen.

En deze week kwam er nog een andere opening voor de EU aan het licht. Een paar dagen geleden waarschuwde de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergei Lavrov Turkije over de nauwere samenwerking van dat land met Oekraïne rondom de Krim. Wat als wij die samenwerking zouden steunen?

Naast de Krim zijn er meer punten van frictie tussen Rusland en Turkije, en dat is interessant. In plaats van op deze kwesties in te spelen heeft de EU de afgelopen jaren vooral op een botsing met beide landen tegelijkertijd aangestuurd. Daardoor heeft ze de onderlinge rivalen naar elkaar toe geduwd. En dat heeft ons niet veel opgeleverd.

Dit is de crux. Tijdens de Koude Oorlog waren de allianties helder en verdienden vijanden eenduidig afkeuring. Ook nu zijn verontwaardiging en sancties richting Wit-Rusland terecht. Tegelijk zijn het makkelijke reacties. Willen we echt iets veranderen, dan zullen we minder zwart-wit moeten denken. Dan moeten we bijvoorbeeld leren om het ene problematische regime tegen het andere uit te spelen. Het is moeilijk dat grijze domein te betreden, maar het is wel nodig in deze ambigue wereldorde. Zelfs als het om zoiets eenduidigs als de laatste dictator van Europa gaat.

De kabinetsformatie stond de afgelopen tijd in het teken van personen. De persoon van de premier in de eerste plaats en vervolgens die van de leiders van mogelijke coalitiepartners. En natuurlijk de persoon wiens naam nooit op een A4’tje had mogen staan.

We dreigen een belangrijke vraag uit het oog te verliezen, een vraag waar het in de formatie over zou moeten gaan. Het was voor alle partijen een van de belangrijkste onderwerpen in de verkiezingsstrijd: de rol van de overheid.

Iedereen was het erover eens dat het anders moet. Veel gehoord aan linkerzijde was het idee dat de overheidsrol groter moet worden. Is dat immers niet de les van de coronacrisis? Dat de overheid zorg kan en moet dragen voor onze gezondheid? Maar denk ook aan de woningmarkt, het klimaatbeleid en de arbeidsmarkt: na decennia neoliberale terugtrekking is het tijd dat de overheid terugkeert met een grotere rol.

Ook rechtse partijen zoeken heil bij de overheid, maar op een andere manier. De mantra van de premier tijdens de verkiezingscampagne was dat de overheid niet groter maar „sterker” moest worden.

Toch raken deze twee suggesties niet echt aan ons ongemak met de overheid. De overheid is ten eerste namelijk helemaal niet zo klein als weleens wordt voorgesteld. Decennia neoliberale ideologie (‘meer markt’) ten spijt heeft de overheid nog steeds een immense impact op de economie en het dagelijks leven van burgers. Hoe kan de overheid terugkomen als die eigenlijk nooit weg is geweest?

Is de overheid dan te zwak? Daar lijkt het soms op, maar de les van de Toeslagenaffaire was juist dat de overheid te sterk was en als een machine zonder tegenspraak werkte. De missie van fraudebestrijding werd met grote daadkracht ten uitvoer gebracht.

Zo komen we dichter bij het echte probleem. Dat is niet de omvang of de kracht, maar de aard van de overheid. Het ongemak dat mensen ervaren ligt in de verstoorde relatie die de overheid heeft met de burger. Dat heeft meerdere oorzaken.

Het neoliberale denken is er daar een van. Overal wordt gekwantificeerd, geoptimaliseerd en gecontroleerd. Het maakt niet uit of dat door de markt gebeurt of door de overheid. Overal geldt hetzelfde regime: de burger wordt als kwantiteit behandeld.

Denk ook aan de impact van de aanslagen van ‘11 september’. Die richtten de aandacht op veiligheid, op het moment dat een geweldig nieuw instrument voorhanden kwam: data. Uit die combinatie ontstond wat Shoshana Zuboff het ‘surveillancekapitalisme’ heeft genoemd. Daarin geldt de burger als risico.

Vervolgens kwam in die tijd ook een politiek van achterdocht en xenofobie op. Populistische politici riepen op tot een harde aanpak van criminelen en mensen die misbruik maken van onze voorzieningen. De burger als fraudeur.

In het coronabeleid, en dan met name in de corona-apps en de vaccinatiepaspoorten, komen deze elementen samen. De centrale motieven zijn registratie en controle, surveillance van gezondheidsrisico’s en achterdocht tegenover het niet naleven van de regels.

De kwalijke gevolgen van deze ontwikkelingen komen de laatste jaren aan het licht. SyRI, het systeem waarmee de overheid fraudeurs wilde opsporen, werd door de rechter stopgezet, omdat het de rechten van burgers schond. En vervolgens kregen we natuurlijk de Toeslagenaffaire. Zouden dit de symptomen kunnen zijn van een grote trend: een overheid die de burger ziet als kwantiteit, als risico, als potentiële fraudeur? In dat geval gaat het niet om incidenten die met een verontschuldiging of berisping opgelost kunnen worden. Dan zijn grotere veranderingen nodig, dan moet de burger benaderd worden met vertrouwen in plaats van achterdocht.

Dat klinkt misschien naïef, maar het huidige functioneren van de overheid is gevormd door allerlei politieke ontwikkelingen en ideeën van de afgelopen decennia – nieuwe ontwikkelingen en nieuwe ideeën kunnen de overheid dus ook anders laten functioneren.

Er zijn veel goede ideeën over hoe de aard van de overheid te veranderen. Sturen op brede welvaart bijvoorbeeld, in plaats van op bruto nationaal product. Sterkere checks and balances. Pieter Omtzigt heeft het in zijn boek over een ‘nieuw sociaal contract’.

We moeten voorzichtig zijn met wat we wensen. Een grotere of sterkere overheid die op dezelfde manier blijft functioneren als voorheen, kan voor de burger heel slecht uitpakken. Laten we hopen dat er bij de formatie ook ergens een notitie rondgaat waarop staat: „de overheid: functie anders”.

Haroon Sheikh, politicoloog en filosoof:

Big Tech: het tij keert

 

In 2021 beginnen we eindelijk grip te krijgen op Big Tech. Onvrede met de macht van deze bedrijven is er al jaren, maar lang veranderde er bar weinig. In 2020 werd door de coronacrisis die macht aanvankelijk alleen maar groter, want digitalisering was de oplossing: ons werk migreerde naar de cloud, scholen gingen digitaal en Big Tech bouwde onze corona-apps.

Tegen het einde van het jaar vond echter een plotselinge kentering plaats. Politici en toezichthouders in de VS en de EU publiceerden kritische rapporten en zetten rechtszaken in gang om de immense macht van deze bedrijven over de samenleving aan te pakken. Beleidsmakers overwegen nu serieus extreme oplossingen, zoals het opbreken van deze grote spelers.

Het rampjaar maakte onze afhankelijkheid van Big Tech pijnlijk zichtbaar. Dat geeft hoop voor 2021: we gaan dan, eindelijk, beginnen met het tij te keren.

 

Verenigde Naties Velen hebben kritiek op de Verenigde Naties. Maar de organisatie is een belangrijke bouwsteen in een wereld van overlappende orden. Die breedte van de VN lijkt vooralsnog onvervangbaar, meent .

Het kunstwerk ‘The Knotted Gun’ bij het VN-hoofdkwartier in New York.Foto Mary Altaffer/AP 

‘De duivel was hier gisteren, hier op deze plek”, sprak de man. Voor het oog van de wereld maakte hij een kruisgebaar: „Vandaag ruik je de sulfer nog bij deze tafel waar ik nu voor sta. Gisteren, dames en heren, sprak vanaf deze plek de president van de Verenigde Staten, de man die ik de duivel noem, alsof hij de wereld bezit.”

De genoemde president was niet Donald Trump, maar George W. Bush. De spreker was de Venezolaanse leider Hugo Chavez, tijdens de jaarlijkse vergadering van de Verenigde Naties (VN) in 2006.

Ik moest vorige week weer aan deze dramatische speech denken. Ik was op het Brainwashfestival en keek naar een interview met Samantha Power, de Amerikaanse ambassadeur bij de VN tijdens de tweede termijn van president Obama. Toen hij aan de macht kwam, had Chavez gezegd dat het bij de VN niet meer naar zwavel rook, maar naar hoop. In het interview sprak Power ook over hoop. De door haar genoemde hoopvolle zaken van haar werk bij de VN, zoals de Irandeal, zijn inmiddels goeddeels teruggedraaid.

De VN bestaan deze week 75 jaar. Opgericht vlak na de Tweede Wereldoorlog om internationale vrede en veiligheid te garanderen. Sindsdien is er altijd kritiek geweest: de VN zijn bureaucratisch, ongeloofwaardig, er wordt alleen maar gepraat. Pijnlijke voorbeelden zijn de gefaalde missie in Bosnië en de besluiteloosheid over Syrië. Hoeveel reden is er vandaag de dag voor een jubileumfeestje? Een korte blik op het heden doet denken dat de fundamenten van de VN niet meer overeind staan. Laten we naar drie van die historische fundamenten kijken.

Veranderende wereldorde

1. De natiestaat: één land, één stem. Niet helemaal natuurlijk, want de permanente leden van de Veiligheidsraad zijn meer gelijk dan anderen. Maar over het algemeen bieden de VN ruimte voor elk land, hoe klein ook. Na de oprichting van de VN vielen de Europese koloniale rijken in rap tempo uiteen. In de 20ste eeuw groeide zo het aantal natiestaten dat tot de organisatie toetrad. In de jaren negentig, na de val van het Sovjet-rijk, kwamen er nog meer natiestaten bij.

In de 21ste eeuw echter, lijken andere ordeningsvormen belangrijker te worden. Van multilaterale organen als de VN, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank verschuift de focus naar bilaterale samenwerking, vaak langs regionale lijnen. ASEAN, AU, EEU, BRI, AIIB en RCEP en natuurlijk de EU zijn een paar afkortingen die die trend belichamen. Veel daarvan zijn vehikels voor regionale invloed voor machtige landen als Rusland (EEU) en China (BRI en RCEP). China in het bijzonder creëert schaduwinstituties naast de oude multilaterale organen en Chinese denkers als Zhao Tingyang propageren oude Chinese concepten van wereldorde als tianxia (‘alles onder de hemel’). Die passen niet bij een wereld van natiestaten.


De legitimiteit van technocratie staat tegenwoordig onder druk. Er is groot wantrouwen richting experts en dat groeit met de coronacrisis. Expertise wordt bovendien door verschillende landen gepolitiseerd. De VS politiseren de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en stellen dat China er te veel macht heeft. Landen als China en Rusland richten zich op technocratische VN-instituties als de International Telecommunication Union (ITU), om hun grip op het internet te vergroten.

2.Technocratie: bestuur door experts. Dat was een van de lessen van 1945. Politici en marktspelers hadden de wereld in chaos gestort. Rationeel onpartijdig bestuur moest de wereld repareren. Zo richtten de VN zich op zaken als armoedebestrijding, gezondheidszorg en telecomstandaarden om op technische wijze de wereld te verbeteren.

3. Pax Americana. Terwijl Amerika na de Eerste Wereldoorlog weifelde met de Volkerenbond, de voorloper van de VN, was het in 1945 capabel voor en bereid tot mondiaal leiderschap. Daartoe richtte het ook andere instituten op, zoals het IMF, de Wereldbank en de GATT, de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

Die Amerikaanse orde staat tegenwoordig onder druk door opkomende landen maar ook is de rol van de VS veranderd; de architect van de wereldorde voelt zich er zelf niet meer in thuis. In zijn speech voor de VN vorig jaar zei president Trump: „De toekomst behoort toe aan patriotten, niet aan globalisten”.

Deze drie ontwikkelingen lijken het fundament onder instituties als de VN weg te slaan. Toch is het niet zo simpel. Het idee van een acute crisis berust op een te simpel beeld van internationale orde en misvattingen over hoe die zich ontwikkelt.

Wereldvoedselprogramma

Het klopt inderdaad dat er allerlei nieuwe regionale en bilaterale verbanden ontstaan en zelfs schaduwvarianten van bestaande organisaties. Toch is het frappant dat er geen schaduwvariant is van de Verenigde Naties. Het is nog steeds het enige legitieme forum dat bijna de hele wereld verenigt. Misschien dat de rol van andere instituties verandert of kleiner wordt, maar de breedte van de VN lijkt vooralsnog onvervangbaar.

Of neem de crisis van technocratie. Expertise heeft altijd een politieke kant gehad. De OESO bijvoorbeeld, traditioneel de economische organisatie van rijke industrielanden, is ooit opgericht om de Amerikaanse Marshallhulp aan Europa te organiseren en daarmee landen uit de Sovjet-sfeer te houden. Gaandeweg evolueerde ze tot een meer neutraal orgaan waarin kennis wordt uitgewisseld over economische vraagstukken.

Dat politisering nu zo in het oog springt, heeft te maken met veranderde internationale verhoudingen en de frictie die dat oplevert. Als een nieuw evenwicht wordt gevonden waarin opkomende landen een grotere rol hebben, zou het goed kunnen dat die frictie weer naar de achtergrond verdwijnt. Veel technocratie werkt bovendien nog erg goed. Niet voor niets won het Wereldvoedselprogramma van de VN dit jaar de Nobelprijs voor de Vrede.


Dat brengt ons bij de belangrijkste misvatting: het idee dat er een enkele wereldorde is, een enkele orde die op regels is gebaseerd en die al vijfenzeventig jaar lang bestaat. Veel denktanks en politici hebben het nu over de ‘
rules-based international order’ die door opkomende machten wordt uitgedaagd. Dat is misleidend. De politicoloog Alastair Iain Jonhston heeft laten zien dat die term een recente uitvinding is. Daarbij suggereert de term veel meer eenheid dan er in werkelijkheid is.De Pax Americana wordt ten slotte ook vaak te eendimensionaal voorgesteld. Het is zo dat Trumps confrontatie met multilaterale instituties heftig is, zeker qua toon. Tegelijkertijd heeft dit sterke en veilig gelegen land altijd moeite gehad met bindende internationale afspraken. Trumps kritiek op de WHO en globalisten past binnen een lange lijn die loopt van de Volkerenbond (voorgesteld door president Wilson en vervolgens door het Amerikaanse Congres afgewezen) naar het Kyoto Protocol en het Internationaal Gerechtshof waar de VS geen partij in is. Tijdens de Koude Oorlog beweerden Amerikanen ook dat de VN vooral de Sovjet-Unie hielp. In de woorden van een Amerikaanse bumpersticker: „You can’t spell communism without UN”.

Een belangrijk bouwsteen

Er hebben altijd hele verschillende orden naast elkaar bestaan. Denk aan defensie, politiek, handel en economie, financiën, internationaal recht en technologie. Op al die terreinen zijn er verschillende instituties waarin verschillende landen meedoen. Een opkomend land als China verstoort sommige van die orden, maar steunt andere weer. Hetzelfde geldt voor de Verenigde Staten.

Het idee dat er maar één enkele orde met regels is die landen ondersteunen of ondermijnen, maakt ons blind voor de verschillende rollen die landen kunnen vervullen. Weinig landen ondersteunen internationale regels op alle terreinen. En er zijn ook maar weinig landen die ze allemaal zouden willen verstoren. Die gelaagdheid en overlapping van verbanden is juist goed. Het biedt ruimte voor verschillen in samenwerking en weeft tegelijkertijd een web van verbanden dat op mondiaal niveau stabiliteit brengt.


Laten we niet naïef zijn. Wereldvrede kan het instituut niet garanderen. Maar het is wel een belangrijke bouwsteen in een wereld van overlappende orden. Een flexibele bouwsteen die bijdraagt aan stabiliteit. Dat is wel degelijk iets om te vieren.
Internationale samenwerking staat zeker voor verschillende uitdagingen. Het aardige is dat de VN nu juist als breed platform zijn opgezet. Die breedte leidt tot besluiteloosheid als grootmachten het oneens zijn, zoals over Syrië. Maar het maakt ook een architectuur mogelijk waarbinnen verschillende orden, van veiligheid tot voedsel en telecom tot gezondheidszorg naast elkaar kunnen bestaan.

Een van de meest onderbelichte scheidslijnen van de covidcrisis is regionaal. Dat hangt ermee samen dat regionalisering geen sterk verhaal heeft. Van China tot Rusland en zelfs Europa groeit echter belangstelling voor zo’n verhaal: dat van de civilisatiestaat. Het is een interessant, maar ook gevaarlijk idee, waar we aandacht aan zouden moeten besteden
https://www.nrc.nl/nieuws/2020/08/14/na-de-natiestaat-komt-nu-de-onbegrensde-civilisatiestaat-a4008825

 

Er wordt veel geschreven over de invloed van de coronacrisis op de geopolitieke verhoudingen. Verschillende mondiale scheidslijnen passeren de revue, zoals de nieuwe Koude Oorlog tussen de VS en China. Een andere scheidslijn is die tussen internationale samenwerking in instellingen als de Wereldgezondheidsorganisatie en de EU enerzijds, en ‘eigen land eerst’-benaderingen anderzijds – oftewel Trumps onderscheid tussen ‘globalisten’ en ‘patriotten’. Denk vervolgens aan het verschil in de crisisaanpak van democratische en autoritaire staten. Of tussen de machismo-onderschatting van het virus door Trump, Johnson, Loekasjenko en Bolsonaro en het kordate optreden van vrouwelijke leiders als Merkel en Ardern.

Er is echter een andere scheidslijn die nog maar weinig is belicht. Dat is de scheidslijn langs regio’s. Een regionale blik brengt interessante patronen aan het licht.

Oost-Azië wordt namelijk zowel in een autoritair China als in democratisch Japan en Zuid-Korea gekenmerkt door capabel overheidsingrijpen en een over het algemeen gehoorzame bevolking. Of neem Latijns-Amerika. In verschillende landen daar zijn overheden juist minder capabel gebleken en zijn er allerlei bestaande sociale spanningen, wat indamming van het virus moeilijk heeft gemaakt. Ook zien we een patroon in de voormalige Sovjetsfeer. Het institutionele wantrouwen in die landen leidde eerst tot ontkenning van het probleem en daarna tot crisismaatregelen die tegelijkertijd de surveillance van de bevolking vergrootte.

Op het Europese continent bestaan grote verschillen. Toch zou het best kunnen dat deze crisis ook hier een regionale aanpak in de hand werkt. Stappen zijn al gezet op het gebied van de inkoop van vaccins en de financiering van de crisisaanpak.

Zou de coronacrisis, met andere woorden, een trend naar regionalisering kunnen versnellen?

Het idee

Een reden dat deze scheidslijn minder aandacht krijgt, is dat het geen sterke theorie of verhaal lijkt te hebben zoals de scheidslijn tussen democratieën en dictaturen of tussen nationalisten en internationalisten. Zo’n verhaal is echter wel in de maak. Dat is een vrij onbekend verhaal dat in de Chinese politieke filosofie is uitgewerkt en inmiddels de wereld over gaat. Wij horen daar in het Westen weinig over. Maar het zou wel eens een belangrijk concept in de wereldorde kunnen gaan worden. Het idee is interessant, maar ook gevaarlijk, en dus kunnen we ons er maar beter in verdiepen. Dit is het idee van de civilisatiestaat.

In de twintigste eeuw noemde de Amerikaanse politieke wetenschapper Lucian Pye China „een beschaving die doet alsof het een natiestaat is”. Chinese denkers zijn het hiermee eens en zien hierin iets dat hun land uniek maakt. De oude Chinese beschaving hoort namelijk in hetzelfde rijtje thuis als de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen. Er is echter een groot verschil: die andere beschavingen zijn verdwenen. Egyptenaren van nu lezen geen hiërogliefen meer en Italianen geloven niet in Jupiter. Zij kijken met afstand naar de ruïnes van een oude wereld. Dat is anders in China.

De taal, cultuur en moraal van Confucius en de Taoïsten zijn begrijpelijk en zelfs vertrouwd voor hedendaagse Chinezen. Volgens de Chinese denker Zhang Weiwei is China het enige land ter wereld waarvan de grenzen overeenkomen met een oude beschaving en die tot op heden doorleeft. En dat heeft belangrijke consequenties. Het betekent volgens Weiwei dat China een eigen politieke ontwikkeling volgt en dat westerse modellen van democratie en liberalisme er niet op van toepassing zijn.

Dit idee van de civilisatiestaat heeft ook consequenties voor China’s rol op het wereldtoneel. Het zou betekenen dat China niet een alternatieve ideologie exporteert, een soort China-model waar veel over gespeculeerd wordt, maar dat het zich juist afzet tegen universele ideologieën. In plaats daarvan ziet het zichzelf als het centrum van een beschaving en heeft het land primair affiniteit met cultureel vergelijkbare landen als Korea, Taiwan en Singapore.

Flirten met de civilisatiestaat

Het idee van de civilisatiestaat geeft dus inzicht in het verhaal dat China mondiaal uitdraagt en de regio waar het dominant wil zijn; denk aan de claims op de Zuid-Chinese Zee. Maar inmiddels is het idee groter geworden en is het niet meer uniek voor China. Meerdere regimes flirten inmiddels met dit idee.

Sinds 2012 komen varianten van de civilisatiestaat al voor in speeches van Vladimir Poetin. Er wordt weleens beweerd dat hij heimwee zou hebben naar de Sovjet-Unie, maar dat is een vergissing: niet de communistische ideologie, maar de cultuur en beschaving van het Russische Rijk wil hij in ere herstellen. Die omvat traditionele familiewaarden, maar ook het orthodoxe geloof. De spanningen tussen Oekraïne en Rusland gingen dan ook gepaard met een breuk in die kerk. Meer nog dan in China dient dit idee om invloed buiten de grenzen te projecteren: Rusland is de staat die leidend is in een ‘Euraziatische civilisatie’ die landen als Oekraïne en Wit-Rusland omvat. Sterker nog, er lopen onderhandelingen om dat laatste land in Rusland op te nemen. Zou dit de uitkomst van de protesten in Wit-Rusland kunnen zijn?

Ook in India wordt de civilisatiestaat toegeëigend. De regerende BJP omarmt de term om het land als een Hindoebeschaving af te schilderen. Publiek debat in kranten toont echter ook een andere duiding van die beschaving; als een die juist door de co-existentie van meerdere religies wordt gekenmerkt.

Wie goed kijkt, kan dit politieke idee ook dichter bij huis vinden. De Europese Unie is natuurlijk ook een entiteit boven klassieke natiestaten. Die wordt vaak in universalistische en ideologische termen begrepen. Als een visie van een gemeenschappelijke markt waar steeds meer landen aan kunnen deelnemen. Interessant genoeg lijkt de recente discussie over de grenzen van de EU het meer als een culturele en begrensde entiteit te definiëren. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen spreekt van een ‘geopolitieke commissie’ die los van de Verenigde Staten meer voor zichzelf zou moeten opkomen.

Vijf sterke regio’s

De Commissie heeft sinds kort een commissaris voor ‘de bescherming van de Europese manier van leven’. Die manier van leven lijkt Von der Leyen met seculiere waarden als vrijheid en democratie in te vullen. Europese populistische bewegingen herdefiniëren Europa ook als een beschaving, maar dan met een andere invulling. Er is veel ophef over het pleidooi van de Hongaarse leider Victor Orban voor ‘illiberale democratie’. Dat klinkt als een alternatieve ideologie. Minder bekend is dat hij dit ook ‘christelijke democratie’ noemt. Geen ideologie dus, maar iets cultureels. Hij ziet zichzelf als de verdediger van de Europese christelijke beschaving.

Welke civilisatiestaten kunnen we dan identificeren? Vijf lijken redelijk goed te onderscheiden: China, Rusland, India, de VS en de EU. In andere regio’s is het moeilijker om een dominante staat aan te wijzen. Ook al is Brazilië de gigant van Latijns-Amerika, het Portugese land verschilt te veel van de Spaanstalige buren. Iets vergelijkbaars geldt voor Indonesië in Zuidoost-Azië. In de regio van het Midden-Oosten en in Afrika zijn er verschillende kandidaten, maar geen van hen heeft op dit moment het vermogen om de hele regio te leiden. Machtsstrijd zal die gebieden blijven kenmerken. Twee grote eilandstaten lijken in een wereld van civilisatiestaten buiten de boot te vallen. Het Verenigd Koninkrijk vanwege de Brexit. May en Johnson zochten wel aansluiting bij het oude British Empire, maar de lauwe ontvangst in India en de VS toont daar de grenzen van. Iets vergelijkbaars geldt ook voor Japan: in de twintigste eeuw probeerde het met harde hand een Oost-Aziatisch blok op te richten, waardoor het nu van buurlanden is vervreemd.

Wat betekent dit nieuwe idee nu voor de internationale orde? In een wereld van civilisatiestaten zal samenwerking steeds minder plaatsvinden in mondiale multilaterale instituties als de Verenigde Naties en het Internationaal Monetair Fonds. Het momentum zal verschuiven naar regionale verbanden. Denk aan instituties als de Belt and Road Initiative (BRI), de Euraziatische Economische Unie (EEU), de Association of Southeast Asian Nations (ASEAN) en natuurlijk de EU. Dat vraagt van ons in Nederland om ons meer op die fora te oriënteren.

Niet alleen samenwerking, maar ook conflict kunnen we door de lens van civilisatiestaten begrijpen. De groeiende spanning tussen Turkije en de NAVO en EU hangt samen met deze beweging richting regionalisering. Breuklijnen ontstaan op plekken waar de grenzen van verschillende civilisaties overlappen zoals Oekraïne, de Balkan en de Himalaya.

De civilisatiestaat brengt ook een andere scheidslijn met zich mee. De natiestaat is gekoppeld aan territoriale grenzen waarbinnen staatsburgers leven. Een civilisatie kan echter ook daarbuiten bestaan in de vorm van een diaspora die in andere landen leeft. Civilisatiestaten leggen ook een claim op die mensen. Kijk naar hoe China omgaat met overzeese Chinezen, Rusland met de diaspora in Oost-Europa en Turkije met die in West-Europa. Technologie en media maken dit mede mogelijk. Televisiezenders als CCTV, Russia Today en Al Jazeeraverenigen de dragers van verschillende regio’s.

Kansen en risico’s

Wat moeten we nu vinden van de civilisatiestaat? Het idee heeft positieve kanten. Het kan uiting geven aan meer mondiale diversiteit en gelijkwaardigheid. Aziatische samenlevingen lijken het te omarmen, omdat ze niet langer westerse standaarden willen volgen.

Ook is het mogelijk dat de civilisatiestaat meer ruimte biedt aan interne diversiteit dan de klassieke natiestaat. Daartegenover zien we ook juist een poging om de civilisatiestaat nauw en exclusief te definiëren, zoals een christelijk Europa, een Han-China of een hindoeïstisch India. Er wordt dus nog volop strijd gevoerd over de invulling van de civilisatiestaat. Ook tussen regio’s verschilt de invulling van dit politieke concept: volgens Zhang Weiwei is China immers de enige echte civilisatiestaat vanwege de politieke continuïteit door de eeuwen heen.

Het idee van beschaving heeft altijd iets exclusiefs gehad, omdat het een contrast met barbarij impliceert. Om maar te zwijgen over de gewelddadige invulling van Samuel Huntingtons beruchte ‘botsing der beschavingen’.

Er kleven ook andere gevaren aan. Neem de genoemde beïnvloeding van de diaspora. De civilisatiestaat is net als de natiestaat een imaginaire gemeenschap, een verzonnen entiteit, en ook achter dit idee gaan vaak allerlei machtsclaims schuil.

De civilisatiestaat is dus ook een gevaarlijk idee. Maar het schiet overal ter wereld wortel dus we doen er verstandig aan om het serieus te nemen.

 

Spanning en onbegrip kenmerken de relatie tussen Duitsland en de Verenigde Staten. Recent haalden de VS soldaten uit Duitsland omdat dat land te weinig uitgeeft aan defensie en economisch van de VS zou profiteren. En dan is er Nord Stream 2: een extra pijpleiding door de zee moet meer Russisch gas direct naar Duitsland brengen. Volgens de Amerikanen maakt deze deal de Duitsers van de Russen afhankelijk en ze werken daarom aan sancties tegen Europese bedrijven die aan dit project meewerken.

Het is alsof Duitsers en Amerikanen in verschillende werelden leven: de een gericht op economie, de ander op (geo)politiek; de een op globalisering, de ander op Realpolitik. Ze lijken elkaar niet te begrijpen. Amerikanen verwijten de Duitsers naïviteit: handel en wederzijdse afhankelijkheid maken landen helemaal niet vreedzamer. Omgekeerd drukte de Duitse journalist Christoph von Marshall met zijn boek Was ist mit den Amis los? het Duitse sentiment uit. Anders geformuleerd: Amerikanen komen van Mars, Duitsers van Venus.

Toch is dit een verkeerde voorstelling van zaken. Na de Tweede Wereldoorlog werd Duitsland inderdaad een land dat zich ver hield van geopolitiek. Tijdens de eurocrisis zei Radoslaw Sikorski nog dat hij waarschijnlijk de eerste Poolse politicus was die banger was voor Duitse terughoudendheid dan voor Duitse daadkracht. Maar door verschillende crises heeft Duitsland inmiddels geleerd daadkrachtig te zijn.

In 2017 kwam Angela Merkel gedesillusioneerd van de eerste G7-top met Trump terug en concludeerde dat „Europeanen hun lot meer in eigen handen moeten nemen”. Dat Merkel deze zomer de gemoederen tussen Griekenland en Turkije wist te sussen – terwijl vroeger de Amerikaanse president dat moest doen – laat zien dat zij ernst maakt met die opgave.

De Duitse daadkracht volgt echter niet de logica van de geopolitiek, maar die van de ‘geo-economie’. Die gaat over de diepe verwevenheid van economische en strategische belangen. Waar geopolitiek zich klassiek richt op het balanceren van macht, gaat geo-economie over het balanceren van afhankelijkheid. Asymmetrie is daarbij het doel: economische relaties zo inrichten dat de ander meer afhankelijk is van jou dan omgekeerd.

Nord Stream kunnen we geo-economisch begrijpen. Duitsland positioneert zich als Europese gashub, met nieuwe energiebronnen en een nieuwe infrastructuur, om meer invloed op Rusland te kunnen uitoefenen. De Duitsers stellen dat de Amerikanen zich op dit vlak wel druk maken om afhankelijkheid van Rusland, maar zich veel minder bekommeren om Russische inmenging bij eigen verkiezingen. Ook wat betreft Oost-Europa en Oekraïne is Duitsland veel strenger tegen Rusland dan de VS. Waarom is Nord Stream dan zo’n probleem?

Het Amerikaanse beleid blijkt eveneens geo-economisch van aard. De VS is de laatste jaren een grote energieproducent geworden en ziet Europa als belangrijke afzetmarkt. In plaats van Russisch gas, moet het continent aan Amerikaans gas.

Ondanks zijn spierballentaal is Trumps beleid verrassend geo-economisch. De Amerikaanse politicoloog Daniel Drezner schreef vorig jaar dat de VS nu als nooit tevoren de economie inzetten voor strategische doeleinden, zowel tegenover rivalen als China, Noord-Korea en Iran, als tegenover bondgenoten als Japan, Mexico en de EU. Met weinig succes, volgens Drezner.

Zo bezien staan Duitsers en Amerikanen helemaal niet zo ver bij elkaar vandaan. Het is geen kwestie van economie versus geopolitiek; beide volgen de logica van de geo-economie. Zij botsen omdat hun geo-economische belangen anders zijn, niet omdat zij ideologisch radicaal van elkaar verschillen.

De Duitsers zijn niet meer zo naïef als voorheen. Moet Nederland niet ook meer geo-economisch leren denken?

 

Haroon Sheikh is werkzaam bij de WRR en de VU. Hij vervangt een aantal weken Luuk van Middelaar.

Rusland en China kondigden deze week aan meer te gaan samenwerken tegen de ‘informatieoorlog’ die sinds de coronacrisis verder oplaait. Ongetwijfeld zijn er digitale campagnes gericht tegen deze twee landen, maar de ironie is dat zij nu juist de meest actieve spelers zijn in deze mondiale strijd. Naast het biologische virus is er een even gevaarlijk digitaal virus, dat niet ons lichaam, maar onze geest aantast.

Vorig jaar publiceerde het Brookings instituut een interessant rapport, ‘Exporting digital authoritarianism’. Het laat zien hoe de twee genoemde landen al heel vroeg het internet hebben benaderd vanuit het oogpunt van veiligheid en controle, en dat zij nu beide hun methoden exporteren. China exporteert het high-end ‘product’: een totaal gefilterde internetinfrastructuur en eigen technologieplatformen. Armere landen wenden zich tot het goedkopere ‘product’ van Rusland: een combinatie van afluisterapparatuur en druk op leveranciers van internetdiensten.

Wij zijn inmiddels ook onderdeel van de mondiale informatieoorlog. Wat gebeurt hier precies? Sociale media zijn het slagveld van geopolitiek conflict geworden. In het fascinerende boek LikeWar: The Weaponization of Social Media kun je lezen over fenomenen als astroturfing (het in scène zetten van burgerinitiatieven), Poe’s Law (het is schier onmogelijk om extremisme te parodiëren) en het provoceren door trollen. Schrikbarend is het onderzoek dat de auteurs citeren dat laat zien hoe die informatieoorlog teert op onze breinen. Ik noem een paar voorbeelden.

Volgens een MIT-onderzoek verspreiden onware berichten zich zes keer sneller dan ware berichten. Zes keer! Ander onderzoek laat zien dat of we iets geloven minder afhangt van hoe betrouwbaar de bron is, dan van of we het bericht ergens eerder hebben gezien. Herhaling loont dus. Of neem dit: van de berichten die op sociale media gedeeld worden, is 59 procent zelf niet aangeklikt door degene die ze deelt. Ten slotte is ook onderzoek gedaan naar het tempo waarmee verschillende emoties over het internet bewegen. De snelste? Haat. Zo dragen wij zelf bij aan de verspreiding van het virus van de informatieoorlog.

Wat is nu het doel van deze oorlog? Rusland en China worden vaak vergeleken met dictaturen van de twintigste eeuw. Maar de 21ste-eeuwse informatieoorlog is anders. Het gaat niet om de verspreiding van een bepaalde ideologie, maar juist om elke overtuiging te ondermijnen. Daarom stimuleren buitenlandse mogendheden extreme meningen aan alle kanten van het spectrum. Ondermijning van maatschappelijke consensus is het doel. Cynisme creëren. Alles omgeven met ambivalentie. Ook de oude cultus van geheimhouding doet er minder toe. De waarheid wordt niet verhuld, maar bedolven onder onwaarheid. Denk aan de Russische berichtgeving over MH17.

Het verspreiden van allerlei wilde samenzweringstheorieën hoort bij deze tactiek. Ook dat is ironisch: mensen die geloven in samenzweringen trappen zelf in de grootste samenzwering. Het nieuws dat ze volgen wordt namelijk doelbewust gefabriceerd om verdeeldheid te zaaien.

Wat kunnen we tegen de informatieoorlog doen? Er ligt een opgave voor Nederland en de EU om meer grip te krijgen op dit nieuwe strijdtoneel. En misschien kunnen we leren van de aanpak van dat andere virus. Denk aan waarschuwingen over verspreiding vanuit bepaalde landen. Als samenleving zouden we aan ‘digital distancing’ kunnen doen, vooral ten aanzien van de superverspreiders van dit digitale virus.

En wanneer we zelf twijfels hebben bij de waarachtigheid van een bericht dat we zien, een digitaal mondkapje opzetten, om medeburgers niet te besmetten. Als we hier niet op reageren, brengt het virus van de informatieoorlog de gezondheid van onze democratie in gevaar.

Dagenlang was de aandacht gericht op de machtsstrijd en nieuwe verhoudingen op het Europese continent. Minder opvallend zijn eveneens belangrijke verschuivingen in Azië. Recent vond een aantal grootse ontwikkelingen plaats, allemaal rond Iran, waar veel te weinig oog voor was. Samen schetsen ze scenario’s voor de toekomstige machtsbalans in Azië.

Ten eerste: mysterieuze ontploffingen. Sinds juni meldt Iran vreemde voorvallen bij militaire bases, nucleaire faciliteiten, havens en medische centra. Afgelopen week kwam een mogelijke verklaring aan het licht: president Trump heeft eerder de CIA vrij spel gegeven om cyberaanvallen uit te voeren op landen als Iran. Het is goed mogelijk dat dit de oorzaak is van de ontploffingen, al wordt ook naar Israël gewezen. Hoe het ook zij, het past binnen Trumps ‘maximale druk’ op Iran.

De tweede ontwikkeling is een immense deal tussen Iran en China. In juni besloten deze twee landen om voor vijfentwintig jaar op allerlei gebieden te gaan samenwerken. De rode draad is dat China kapitaal levert in ruil voor energie tegen gereduceerd tarief. De deal lijkt veel op die van China met Rusland in 2014 toen dat land maximale druk ondervond.

Wat mij aan die deal vooral opviel: de Chinese deelname in de Iraanse haven Chabahar. Die werd tot voor kort ontwikkeld door India. Een Indiaas-Iraans partnerschap moest concurreren met de nabijgelegen Chinees-Pakistaanse haven Gwadar. Door Amerikaanse sancties bleven Indiase investeringen echter uit en dat dreef Teheran naar China.

Dit is het Azië-scenario dat Amerikaanse strategen voorstaan: Chinese invloed in de regio die landen als India naar de VS toedrijft. Het werkt: deze week oefende de Indiase marine in de Indische Oceaan met de Amerikanen, gericht tegen Chinese invloed op het water. De VS voorzien mondiale competitie met China en verwachten dat veel sterke landen als India zullen kiezen voor het Amerikaanse kamp.

Toch is hier niet alles mee gezegd. China weet namelijk ook dat het landen tegen zich opzet als het zelf te dominant wordt, en speelt daarop in. De laatste jaren richt China zich op samenwerkingsstructuren waarin het weliswaar de sterkste is, maar niet dominant. Op die manier hoopt het andere machten gerust te stellen.

Die dynamiek is het best te illustreren aan de hand van de evolutie van de Shanghai Cooperation Organisation of SCO. Dat is een veiligheidsverbond tussen China, Rusland en verschillende Centraal-Aziatische landen. China wil al jaren meer economische integratie in dit verbond. Rusland was daar lang terughoudend in, uit angst een satelliet te worden van China. Uiteindelijk is Rusland akkoord gegaan met economische verdieping, op twee voorwaarden. De positie van energieproducerende landen in het verbond moest versterkt worden – daar werd Iran voor uitgenodigd. En het verbond moest verbreed worden: India en Pakistan werden in 2017 lid. Hier tekent zich een belangrijke dynamiek.

Binnen de SCO is China verreweg het sterkste land. Rusland en India zijn beide zwakker, maar gezamenlijk kunnen zij voldoende tegenwicht bieden om te zorgen dat China het verbond niet domineert. China is akkoord met deze verwatering van de eigen macht in de SCO. Het heeft liever tegenwerking van India binnen een Aziatische machtsbalans dan dat India onderdeel is van een Amerikaans anti-China verbond.

Waar de VS dus inzetten op een machtsstrijd met China waarbij ze bondgenoten mobiliseren, richt China zich op een Aziatische machtsbalans die de VS buitensluit. Welke kant het ook op gaat – de EU is geen beslissende speler.

Of is een derde scenario mogelijk, als wij ons weer wat meer naar buiten richten?

‘Een provocatie richting de hele beschaafde wereld” noemde een Griekse minister het en de paus zei dat de beslissing hem pijn deed. Het zijn een paar reacties op Turkijes besluit om van de Hagia Sofia weer een moskee te maken. Uiteindelijk is dit besluit symboolpolitiek: een gemakkelijke manier om tegen het hele Westen op te staan zonder de eigen landsgrenzen te hoeven verlaten. Het leidt daarmee ook onze aandacht weg van gewichtigere handelingen die wel over grenzen heen gaan. In het bijzonder op het water.

In juni vond in de Middellandse Zee een confrontatie plaats tussen schepen van Turkije en Frankrijk. Franse schepen waren op missie om een wapenexport naar Libië tegen te gaan en werden door Turkse schepen bedreigd toen ze een schip wilden tegenhouden. Frankrijk is woedend en wilde afgelopen week dat Europa sancties zou opleggen. Om te begrijpen waarom dat niet lukt, moeten we een stap terug doen.

Turkije is onder Erdogan mondiaal assertiever geworden. De laatste tijd richt het beleid zich echter ook meer op het water. Het gaat om strategische toegang tot de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, maar vooral ook om energie die op de zeebodem gewonnen kan worden. Zo lijkt Turkije de laatste tijd een theorie omarmd te hebben van oud-admiraal Cem Gurdeniz, de doctrine van het ‘blauwe thuisland’ (‘mavi vatan’). Dat betreft een maritieme ring om het land die volgens hem even goed verdedigd moet worden als de landsgrenzen van Turkije. De claim op water in de Egeïsche Zee maakt Griekenland nerveus.

Afgelopen december kwam Turkije met Libië tot een grens van economische zones in de Middellandse Zee waar nog meer landen in de regio tegen protesteerden. Die grens loopt precies langs de rand van het ‘blauwe thuisland’. De steun van Turkije voor Libië kunnen we vanuit die maritieme ambities begrijpen.

Nu komen we bij Europa’s verdeeldheid. Terwijl Turkije een grootmacht in de oostelijke Middellandse Zee aan het worden is, is Frankrijk dat in de westelijke helft. Al jaren poogt het hier met militaire en economische middelen een invloedssfeer te ontwikkelen. In Libië botsen beide regionale machten nu en daar wordt het complex.

De partij die Turkije namelijk steunt is de regering in Tripoli, de GNA, die door de VN is erkend en door de meeste landen als de rechtmatige regering wordt beschouwd.

Frankrijk steunt echter de LNA onder leiding van generaal Haftar in het oosten van Libië en doet dat net als landen als Rusland, de VAE en Saoedi-Arabië. Het bizarre is dat in Libië de twee Europese buurlanden Italië en Frankrijk aan tegenovergestelde zijde staan in een bloedig conflict. Die verdeeldheid binnen Europa biedt landen als Turkije de mogelijkheid om het initiatief naar zich toe te trekken.

Het zal moeilijk zijn om het Franse gevoel voor grandeur in te tomen, maar het is wel noodzakelijk. Het kan niet zo zijn dat Europese landen elkaar rond de Middellandse Zee tegenwerken en daarmee de unie als geheel bedreigen. De onderhandelingen met de VS en over de Brexit laten zien dat gemeenschappelijk Europees buitenlandbeleid wel degelijk mogelijk is.

Kritiek op de Turkse beslissing over de Hagia Sofia is in die zin ook voor ons symboolpolitiek: een gemakkelijk onderwerp om te suggereren dat wij het in Europa met elkaar eens zijn. Veel leerzamer is het Turkse beleid op het water dat namelijk een spiegel is voor onze onderlinge verdeeldheid. Zolang dat het geval is, zullen anderen een beslissende rol spelen aan onze grenzen.